Frédéric De Gucht, voorzitter van de liberale partij Anders, liet op 7 oktober tijdens een debat met andere partijvoorzitters weten dat hij zich door zijn partij laat betalen via zijn managementvennootschap. Bij de aanwezige collega’s leidde dat tot enige verbazing. De Gucht begreep kennelijk niet goed waarom.
Hij is ondernemer, legde hij uit, en ondernemers nemen risico’s. Ze hebben bovendien geen betaalde vakantiedagen of dertiende maand en genieten minder sociale bescherming. Volgens De Gucht getuigt het zelfs van een enorm gebrek aan economische kennis om managementvennootschappen allemaal over dezelfde kam te scheren.
Ik vond vooral dat laatste een interessante opmerking van iemand die blijkbaar geen onderscheid wenst te maken tussen het ondernemerschap van een kinesitherapeut die een eigen praktijk opent en dat van een partijvoorzitter die zijn vergoeding voor het leiden van een politieke partij factureert via een vennootschap.
Misschien mis ik iets, maar sinds wanneer is voorzitter zijn van een politieke partij een vorm van ondernemerschap?
De Gucht heeft daadwerkelijk een ondernemersverleden. Hij was jarenlang aandeelhouder en CEO van glasproducent Sprimoglass, waarvoor hij volgens eigen zeggen via zijn vennootschap een lening aanging. Daar kun je zonder veel moeite een economisch risico in herkennen. Wie investeert in een onderneming, kan zijn investering verliezen.
Maar welke investering doet De Gucht wanneer hij de partij Anders voorzit? Welke onderneming wordt met die vergoeding opgebouwd? Welk kapitaal staat daarbij op het spel?
Zijn partijvoorzitterschap is een afzonderlijke activiteit waarvoor hij een vergoeding ontvangt. Dat hij daarnaast consultancyopdrachten uitvoert en in raden van bestuur zetelt, verandert niets aan de aard van dat voorzitterschap. Ondernemersrisico is geen persoonlijke eigenschap die iemand na een succesvolle zakelijke carrière voor de rest van zijn leven met zich meedraagt, zoals een academische titel.
En dat iemand een vennootschap heeft, vertelt ons op zichzelf bijzonder weinig over de aard van zijn activiteiten.
Ik heb jarenlang in fusies en overnames gewerkt en voor zover ik mij herinner, behoorde ondernemingszin niet tot de constitutieve bestanddelen van een vennootschap.
Een vennootschap is een juridische constructie waarmee economische activiteiten kunnen worden georganiseerd. Ze kan personeel in dienst nemen, investeringen verrichten en ondernemingsrisico’s dragen, maar evengoed uitsluitend dienen als contractspartij voor de persoonlijke diensten van haar enige werkende aandeelhouder.
Het recht kent haar onder bepaalde voorwaarden rechtspersoonlijkheid toe. Een oorkonde voor moedig ondernemerschap wordt daar niet bij uitgereikt.
De wonderbaarlijke vermenigvuldiging van arbeidsinkomen
De aanleiding voor de ophef is een berekening van de studiedienst van Vooruit, die stelt dat de vervennootschappelijking van arbeidsinkomen de Belgische overheid jaarlijks tussen 4,2 en 4,7 miljard euro kost.
Dat bedrag verdient kritisch onderzoek. De raming komt van een politieke partij, de gehanteerde methode is omstreden en de betrokken vennootschappen vormen geen homogene categorie. Je kunt onmogelijk iedere kleine vennootschap zonder personeel als een fiscale constructie beschouwen.
Maar de economische kwestie die Vooruit aankaart, bestaat wel degelijk.
Stel dat een consultant jaarlijks een aanzienlijke vergoeding ontvangt voor zijn werkzaamheden. Als werknemer betaalt hij op zijn loon personenbelasting, waarvan de hoogste schijf in België tegen 50 procent wordt belast, vermeerderd met gemeentelijke opcentiemen. Daarnaast worden sociale bijdragen betaald.
Diezelfde consultant kan onder bepaalde voorwaarden zijn diensten via een besloten vennootschap aanbieden. De opdrachtgever betaalt dan een managementvergoeding aan die vennootschap, waarna de consultant zichzelf een bezoldiging toekent en de resterende winst binnen de vennootschap laat.
Op die winst geldt in beginsel 25 procent vennootschapsbelasting. Kleine vennootschappen die aan de wettelijke voorwaarden voldoen, kunnen op de eerste 100.000 euro winst het verlaagde tarief van 20 procent genieten. Wanneer die winst later als dividend wordt uitgekeerd, kan onder het gunstregime van VVPR-bis een roerende voorheffing van 18 procent gelden.
Van 100 euro belastbare winst blijft bij een vennootschapsbelasting van 20 procent en een daaropvolgende dividenduitkering tegen 18 procent uiteindelijk 65,60 euro over. De gecombineerde belastingdruk bedraagt dan 34,4 procent.
Uiteraard is dit geen volledige vergelijking met een werknemersloon. De bedrijfsleidersbezoldiging wordt afzonderlijk belast, er zijn sociale bijdragen en vennootschapskosten, terwijl ook de sociale bescherming verschilt. Bovendien gelden voorwaarden voor de gunsttarieven.
Maar de mogelijkheid om arbeidsinkomen gedeeltelijk als vennootschapswinst te behandelen, biedt fiscale voordelen die voor een gewone werknemer buiten bereik liggen.
En precies daar begint het probleem.
Want waarom zou dezelfde economische activiteit anders belast moeten worden naargelang iemand over voldoende onderhandelingsmacht beschikt om zijn diensten via een vennootschap aan te bieden?
Het werk kan identiek zijn. De opdrachtgever kan dezelfde blijven. Zelfs het kantoor en de werktijden hoeven niet te veranderen, voor zover de samenwerking werkelijk zelfstandig wordt georganiseerd.
De inkomsten krijgen alleen een andere juridische verpakking.
Wanneer een verpleegkundige haar werkzaamheden in loondienst verricht, wordt haar inkomen als loon belast. Als een goedbetaalde consultant zijn persoonlijke diensten factureert via zijn BV, ontstaat de mogelijkheid om een gedeelte van de opbrengsten onder een ander belastingregime te brengen.
Het verschil wordt dan voor een aanzienlijk deel bepaald door de fiscale mogelijkheden waarover iemand beschikt.
En die mogelijkheden zijn doorgaans groter naarmate iemand meer verdient.
De partijvoorzitter zonder vakantiegeld
De Gucht verdedigde zijn constructie onder meer door erop te wijzen dat hij geen betaalde vakantiedagen of dertiende maand krijgt.
Dat klopt voor zelfstandigen als uitgangspunt. Maar het ontbreken van die werknemersvoordelen wordt normaal gesproken verrekend in de vergoeding die een zelfstandige voor zijn diensten vraagt. Je kunt moeilijk een hoger honorarium bedingen vanwege het ontbreken van betaalde vakantie en datzelfde ontbreken vervolgens nogmaals opvoeren als reden waarom de belastingdruk lager moet zijn.
Bovendien heeft ook lang niet iedere werknemer recht op een dertiende maand. Dat hangt onder meer af van de sector en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.
Maar kennelijk wordt het ontbreken van een dertiende maand een bijzonder zwaar ondernemersrisico zodra iemand zijn vergoeding via een vennootschap ontvangt.
De Gucht voert ook aan dat zijn vennootschap wel degelijk belastingen betaalt. Hij noemt de btw, de vennootschapsbelasting, de roerende voorheffing en de sociale bijdragen.
Dat mag allemaal waar zijn, maar niemand beweert serieus dat vennootschappen per definitie geen belastingen betalen.
De discussie gaat over de totale effectieve belastingdruk op vergelijkbare economische inkomsten.
Btw is bovendien in beginsel een belasting op verbruik die een onderneming aanrekent aan haar klant en afdraagt aan de fiscus, met aftrek van de btw op haar eigen aankopen voor zover die aftrekbaar is. Het bedrag aan afgedragen btw kan dus niet eenvoudig worden opgeteld bij de persoonlijke belastingdruk van de bedrijfsleider.
En het feit dat zowel de vennootschap als de aandeelhouder belastingen betalen, zegt weinig zonder te bekijken hoeveel er na alle heffingen van het oorspronkelijke inkomen overblijft.
Een jurist die het fiscale voordeel van een managementvennootschap wil verdedigen, zou zich op zijn minst met die vergelijking moeten bezighouden.
Nog interessanter wordt het wanneer De Gucht zijn partijvoorzitterschap met het ondernemerschap van een zelfstandige kinesitherapeut vergelijkt. Die moet investeren in een praktijk, apparatuur aanschaffen en voldoende patiënten aantrekken om zijn kosten te dekken.
Prima voorbeeld.
Alleen begrijp ik nog altijd niet welk verband dat heeft met zijn eigen vergoeding als partijvoorzitter.
Voor zover bekend heeft De Gucht geen lening moeten afsluiten om voorzitter van Anders te worden. Hij heeft geen partijleden moeten aankopen, geen aandeel verworven in de partij en geen productiemiddelen gefinancierd om zijn voorzitterschap te kunnen uitoefenen.
Dat hij zijn mandaat kan verliezen, is natuurlijk waar. Het voorzitterschap van een politieke partij is geen baan voor het leven. Maar werknemers kunnen evengoed hun inkomen verliezen wanneer hun werkgever failliet gaat of besluit hen te ontslaan.
Dat inkomensonzekerheid voor zelfstandigen andere juridische en sociale gevolgen heeft, rechtvaardigt een afzonderlijke discussie over hun bescherming en bijdragen. Het bewijst op zichzelf nog niet dat iedere vergoeding voor persoonlijke arbeid fiscaal gunstiger moet kunnen worden behandeld.
De belastingbetaler als stille vennoot
Er zit bovendien nog een bijzonder ongemakkelijke kant aan het verhaal van De Gucht.
Belgische politieke partijen worden voor een aanzienlijk deel met publieke middelen gefinancierd. In 2025 ontvingen ze gezamenlijk ongeveer 86,5 miljoen euro aan subsidies.
De vergoeding van een partijvoorzitter wordt dus betaald door een organisatie die mede dankzij overheidsgeld functioneert.
De voorzitter van een liberale partij die pleit voor minder overheidsuitgaven, laat zijn vergoeding vervolgens via een eigen vennootschap lopen en verdedigt het fiscale onderscheid tussen ondernemers en werknemers.
Ik zou dat bijna ondernemend noemen.
Op 9 oktober publiceerde De Gucht een opiniestuk onder de titel Meester Frank, blijf weg van onze ondernemers! Daarin voert hij opnieuw aan dat lagere belastingtarieven een gerechtvaardigde beloning vormen voor ondernemers die risico nemen.
Zijn redenering komt erop neer dat iemand die risico draagt ook fiscaal moet kunnen profiteren wanneer het goed gaat. Anders zou de bereidheid om te ondernemen verdwijnen.
Dat klinkt aannemelijk, totdat je bedenkt dat het ondernemingsrisico in beginsel al vergoed kan worden door de winst die een ondernemer behaalt. Wie risico neemt, kan een hoger rendement verlangen. Wie veel risico draagt, zal doorgaans een hogere vergoeding proberen te bedingen.
Waarom daarbovenop nog een fiscale tegemoetkoming noodzakelijk is, moet dan afzonderlijk worden aangetoond.
De Gucht gaat aan dat onderscheid voorbij. Ondernemersrisico wordt bij hem vrijwel automatisch een rechtvaardiging voor een gunstiger belastingregime.
Het meest merkwaardige vind ik dat hij hiermee impliciet aanneemt dat gewone werknemers geen risico dragen dat fiscaal relevant zou kunnen zijn.
Een werknemer die jarenlang voor dezelfde onderneming werkt, is voor zijn bestaanszekerheid afhankelijk van beslissingen waarop hij vaak nauwelijks invloed heeft. Hij kan zijn werk verliezen doordat aandeelhouders besluiten een vestiging te sluiten, activiteiten te verplaatsen of een onderneming na een overname te reorganiseren.
Dat risico is reëel, ook wanneer er een sociaal vangnet bestaat.
Maar zodra we over risico spreken in een fiscale discussie, verschijnt steevast de ondernemer als de moedige avonturier die zijn vermogen op het spel zet, terwijl de werknemer kennelijk van zijn loon geniet in de comfortabele zekerheid dat alles wel goed zal komen.
Het getuigt van een wonderlijk romantisch beeld van loondienst.
Ondernemerschap als morele vrijgeleide
Het woord ondernemerschap heeft in het politieke debat een bijna magische werking gekregen. Wie zich erop beroept, krijgt onmiddellijk een zekere morele superioriteit toegeschreven.
Ondernemers nemen initiatief. Ondernemers creëren welvaart. Ondernemers zorgen voor werkgelegenheid.
En wie kritiek heeft op hun fiscale voordelen, wordt er vervolgens van beschuldigd ondernemerschap te bestraffen.
Dat is een bijzonder handige manier om een debat over de verdeling van belastingdruk te veranderen in een debat over de verdiensten van de mensen die van het bestaande systeem profiteren.
Alsof de verpleegkundige die een extra nachtdienst draait geen initiatief neemt. Alsof de leraar die zijn lessen voortdurend aanpast aan de behoeften van zijn leerlingen geen maatschappelijke waarde creëert. Alsof de arbeider die een productieproces verbetert geen bijdrage levert aan economische groei.
Zij ontvangen daarvoor een loon, waarop belasting wordt geheven volgens de gewone regels.
De consultant die dezelfde hoeveelheid arbeid verricht, kan onder bepaalde omstandigheden een gedeelte van zijn inkomsten als winst laten belasten.
En zodra iemand de rechtvaardiging daarvoor ter discussie stelt, verschijnen de ondernemersorganisaties met waarschuwingen dat België initiatiefnemers wegjaagt.
Ik heb helemaal geen bezwaar tegen ondernemers die investeren, personeel aanwerven of een onderneming uitbouwen. Ik heb evenmin bezwaar tegen zelfstandige beroepsbeoefenaars die zonder personeel een reële economische activiteit verrichten.
Maar de fiscale voorkeursbehandeling van arbeidsinkomen vereist meer onderbouwing dan de enkele vaststelling dat iemand een vennootschap heeft opgericht.
Dat laatste is overigens ook geen bijzonder ingewikkelde onderneming.
Een BV oprichten vergt juridische formaliteiten, een financieel plan en voldoende aanvangsvermogen, maar de oprichting maakt van de aandeelhouder nog geen economische weldoener.
En precies dat onderscheid wordt voortdurend weggepoetst.
Een managementvennootschap kan een volstrekt legitiem instrument zijn om zakelijke activiteiten te organiseren. Het fiscale stelsel maakt het daarnaast mogelijk om via diezelfde rechtsvorm bepaalde inkomsten gunstiger te behandelen.
Daarover mogen we een politieke discussie voeren zonder iedere zelfstandige tot fraudeur te verklaren en zonder iedere belastingbesparing automatisch als bewijs van economische verdienste te beschouwen.
De begroting heeft kennelijk selectieve problemen
Wat mij aan de verdediging van managementvennootschappen misschien nog het meest ergert, is de politieke context waarin ze plaatsvindt.
België heeft een ernstig begrotingstekort. De regering zoekt naar besparingen en bijkomende inkomsten, terwijl de sociale zekerheid onder toenemende druk staat.
Werklozen moeten sneller opnieuw aan het werk. Langdurig zieken worden steeds nadrukkelijker benaderd vanuit de vraag hoe hun terugkeer naar de arbeidsmarkt kan worden afgedwongen. Sociale uitgaven worden onderworpen aan een politieke strengheid die inmiddels haast vanzelfsprekend is geworden.
Bij iedere begrotingsronde worden mensen die afhankelijk zijn van collectieve voorzieningen opnieuw geconfronteerd met de vraag hoeveel hun bestaanszekerheid de samenleving mag kosten.
Maar zodra de fiscale behandeling van hoge arbeidsinkomens ter sprake komt, verandert de toon.
Dan wordt het plots bijzonder belangrijk dat de overheid mensen niet ontmoedigt. Dat ze voldoende rekening houdt met persoonlijke omstandigheden. Dat ze begrijpt hoe ingrijpend wijzigingen in financiële verwachtingen kunnen zijn.
Allemaal overwegingen die ik overigens volkomen redelijk vind.
Alleen zou ik ze graag eens met dezelfde overtuiging horen verdedigen wanneer het over een langdurig zieke werknemer gaat.
Anders presenteerde in september een besparingsplan van 17 miljard euro, waarin de partij onder meer 1,2 miljard euro wil besparen op de financiering van vakbonden en ziekenfondsen. De partij noemt dat het afslanken van de staat.
De voorzitter van diezelfde partij reageert verontwaardigd wanneer een andere politieke partij het belastingvoordeel van bepaalde vennootschapsstructuren ter discussie stelt.
Uiteraard kun je verdedigen dat de ene uitgave moet worden verminderd en een bepaald belastingregime behouden moet blijven. Maar dan verwacht ik een inhoudelijke economische rechtvaardiging voor dat onderscheid.
En de mededeling dat ondernemers risico nemen, voldoet daarvoor niet.
Temeer omdat het argument buitengewoon selectief wordt toegepast. Wanneer een werknemer zijn baan verliest, wordt de inkomensbescherming die hij ontvangt steeds vaker besproken als een prikkel die zijn bereidheid om opnieuw te werken zou kunnen verminderen.
Wanneer een zelfstandige een gunstiger fiscaal regime geniet, heet diezelfde financiële tegemoetkoming noodzakelijk om zijn bereidheid om te ondernemen te stimuleren.
Bij de ene groep vreest men dat financiële zekerheid tot passiviteit leidt. Bij de andere dat het ontbreken van een fiscaal voordeel de economische activiteit doet verdwijnen.
Het lijkt erop dat de mens volgens sommige liberalen heel verschillende economische prikkels nodig heeft, afhankelijk van de juridische vorm waarin hij zijn inkomen ontvangt.
De rekening van de boekhouder
Fiscalist Michel Maus heeft terecht opgemerkt dat het debat over managementvennootschappen eigenlijk niet los kan worden gezien van de hoge belastingdruk op arbeid.
Daar ben ik het mee eens.
Wanneer de fiscale behandeling van vergelijkbare economische activiteiten sterk verschilt, ontstaat vanzelf een prikkel om inkomsten via de voordeligste route te laten lopen. Dat mensen die mogelijkheden benutten, valt hun moeilijk kwalijk te nemen.
Het belastingstelsel is immers een politiek product. De wetgever bepaalt welke inkomsten hoe worden belast en welke uitzonderingen daarop gelden.
Maar dat betekent ook dat de wetgever verantwoordelijk is voor de gevolgen van die keuzes.
En als een belastingregime vooral aantrekkelijk wordt doordat mensen hun persoonlijke arbeidsinkomsten juridisch kunnen herstructureren, verdient dat regime een kritische herziening.
De centrale kwestie is of de belastingdruk voldoende samenhangt met de economische aard van de inkomsten en de draagkracht van degene die ze ontvangt.
Werkelijke investeringen en kapitaalrisico’s kunnen een specifieke fiscale behandeling rechtvaardigen. Maar daarmee is nog niet verklaard waarom de vergoeding voor persoonlijke arbeid gunstiger belast zou moeten worden zodra er een vennootschap tussen de opdrachtgever en de werkende persoon wordt geschoven.
Wie zich tegen zo’n herziening verzet, mag dat uiteraard doen. Ook Frédéric De Gucht.
Alleen zou het prettig zijn als hij daarbij ophield om zijn eigen fiscale positie te verdedigen alsof de volledige Belgische economie afhankelijk is van het voortbestaan van de managementvennootschap.
Het is bovendien best mogelijk om de belasting op arbeid te verlagen zonder iedere bestaande fiscale gunstregeling onaantastbaar te verklaren. Sterker nog, wie werkelijk vindt dat werken meer moet lonen, zou zich kunnen afvragen waarom sommige werkenden eerst een vennootschap moeten oprichten om daarvoor in aanmerking te komen.
De Gucht sprak in zijn verdediging uitvoerig over de zelfstandige kinesitherapeut, diens investeringen en de economische risico’s van een eigen praktijk.
Over de bijzondere ondernemersrisico’s die verbonden zijn aan het voorzitterschap van Anders bleef het aanzienlijk stiller.
Misschien kan hij daar bij zijn volgende optreden wat dieper op ingaan.
Ik vermoed namelijk dat heel wat werknemers geïnteresseerd zullen zijn in zijn uitleg waarom het leiden van een politieke partij een fiscale behandeling zou verdienen die voor hun eigen arbeid buiten bereik blijft.
Vooral degenen die zelf ook graag een gedeelte van hun loon als dividend zouden ontvangen.